Oefenen met Nederlands

taal lokaal online

Oefenen met Nederlands kan nu niet in het Inloophuis in Schothorst. Maar het kan wel online! Daarom een paar oefeningen.

Dag 1

Rare regel in het Nederlands:

 

  • Jij loopt is met een t,
  • Loop jij? is zonder t.

Dus:

  • Jij houdt van haar.
  • Hou jij van haar? Of: Houd jij van haar?

 

  • Jij gaat naar huis. Ga jij naar huis?
  • Jij wilt langskomen. Wil jij langskomen?

 

  • Jij kookt vanavond.
  • Kook jij vanavond?

De regel is dus: onderwerp voor het werkwoord: met t. Onderwerp na het werkwoord: zonder t.

Oefenen:

Jij …. altijd lekkere koekjes (Bakken)

… jij straks de administratie? (Doen)

Eigenlijk …. jij vandaag te weinig. (Eten)

….. jij vanavond naar huis? (Gaan)

Van wie … jij het meest? (Houden)

… jij of er al weer les is? (Weten)

Jij …. best hard! (Groeien)

Er

Nederlanders gebruiken vaak het woordje er.

Je kunt het ergens tussen plaatsen. Soms wordt het aan een woord vast geschreven, andere keren niet.

Ik zit erop. (Ik zit op de stoel.) Erop wordt aan elkaar vast geschreven omdat je het kunt vervangen door: op + een zelfstandig naamwoord (de stoel).

Dus ook: Ik lig erop. (Ik lig op het bed.)

Soms betekent het woordje er: daar.

Ik ben er. = Ik ben daar.

Oefenen:

Ik lig op de bank. Ik lig … (erop of er op?)

Het zit in de pan. Het zit … (erin of er in?)

Ik ben thuis. Ik ben …. (er of erin?)

De vrouw ging naar de bank. Zij ging … (er heen of erheen?).

 

Dag 2: Meervoud

Nederlands is raar. Vooral in het meervoud.

Hier een  paar voorbeelden van meervoud om te oefenen.

Voorbeeld 1: De medeklinker (m) verdubbelt.

  • kom – kommen
  • ram – rammen
  • ik kam – wij kammen
  • ik zwom – wij zwommen

 

Voorbeeld 2: De medeklinker verdubbelt niet. De uitspraak van de klinker verandert wel.

  • ik kom – wij komen
  • ik nam – wij namen
  • ik kwam – wij kwamen

Voorbeeld 3: De medeklinker verdubbelt niet. De uitspraak van de klinker verandert niet.

  • ik lijm – wij lijmen
  • ik rijm – wij rijmen
  • riem – riemen
  • kiem – kiemen
  • ik zoem – wij zoemen
  • ik noem – wij noemen

Voorbeeld 4: De dubbele klinker wordt een enkele klinker. De uitspraak van de klinker verandert niet.

  • raam – ramen
  • naam – namen
  • boom – bomen
  • zoom – zomen

 

Dat was het voor vandaag. Heb je nog vragen? Stel ze hier of in de Whatsapp-groep, ik help je graag!

Vriendelijke groetjes Nanzz

Oefenen: zet de woorden in het meervoud.

Vandaag heb ik zin om schoon te … (maak). Ik zeem de … (raam ) en ik zie ineens de … (boom ) buiten weer. Ik ben lekker bezig, dus ik ga nog even door, omdat mijn ouders zo op bezoek …. (kom). Ken je dat, dat je dan ineens het hele huis gaat … (doe). Het was niet mijn plan om er … (uur) mee bezig te zijn. Maar ja, als je eenmaal bent ….(begon)….

 

Dag 3  Woorden met een ui.

ofenen woorden met een ui

  • Abuis (verkeerd)
  • Buik
  • Duik, duim duif
  • Fuik, fluit, fnuiken
  • Guitig (grappig)
  • Huid, huilen
  • Kajuit, kluit, kluif
  • Muiterij
  • Eropuit
  • Ruit
  • Stuiten, sluiten
  • Tuin, tuiten
  • Uit, uiteindelijk, uitleg
  • Vuil
  • Wuiven
  • Zuid, zuiver

 

Dag 4 Woorden met een ij of een ei

oefenen met ij en ei

  • Anijs (kruid, bijvoorbeeld in anijsmelk), allebei (alle twee), arbeid (werk), accijns (belasting).
  • Bij, bijvoorbeeld, bijzonder, blij, beide, breien.
  • Dijk, deining (beweging bijvoorbeeld van de golven op zee), dreiging (bijvoorbeeld van gevaar).
  • Eigen, eigenlijk, eisen, Eik.
  • Feit, feitelijk (volgens de feiten, volgens dat wat we in de wetenschap weten), fijn (leuk en goed, maar ook klein en teer, zoals in ragfijn).
  • Gein (lol), geit, grijs, grijpen.
  • Hijsen, heimelijk (in het geheim), hij.
  • Innerlijk (binnenwereld).
  • Jij.
  • Kei (steen), klei, kijken, krijgen.
  • Lijken (ergens op -), lijf, lijsten, leisteen.
  • Mij, mijn, Meimaand.
  • Neigen (naar, naar iets toebewegen of in gedachten denken dat het waar is), neiging.
  • Ogenschijnlijk (het lijkt zo te zijn, maar is het misschien niet).
  • Pijn, pijnlijk, partij, prijs.
  • Rijn (de rivier), rein (schoon), rijk, rijkelijk.
  • Stijging, schijnen (lijken of verlichten).
  • Tijd, tijdelijk, tijger, tij (eb en vloed van de zee), traagheid.
  • Vrij, vrijheid, vlijmscherp (heel scherp).
  • Wij, wijd (kleding, die niet strak zit maar wijd), weidsheid (als je heel ver kunt kijken), wijn, waarschijnlijk, weiland, weide.
  • Ijzer, ijdelheid, ijken (meten of een instrument nog goed is, zoals een weegschaal), ijs.
  • Zij, zijn, zijdelings, zei.

Zinnen: Om te oefenen kun je een zin hardop lezen en daarna opschrijven.

  • Wij kijken blij. Zij zijn allebei vrij.
  • ‘Waarschijnlijk zijn zij ijdel’, zij zei.
  • Mijn eigen neiging: ‘Wijken bij dreiging’.
  • Zijdelings kijken wij beiden eigenlijk heimelijk.
  • Vrijheidslievende partijen zijn feitelijk gegijzeld bij allerlei dreigingen.
  • Feitelijk zijn wij eigenlijk altijd vrij!
  • Vriendelijke groetjes maar weer, Nanzz
  • p.s. vragen? Stel ze hier.
  • Een vriendin stuurde me deze nog op: Vijf lijzige, eigenwijze ijsberen reisden per trein naar weidse eilanden. De lijster legde haar ei in de rijstebrij.

Dag 6 en 7: Spreekwoorden en gezegden

Denk je net iets te begrijpen, is het een spreekwoord!

Bedoelen we er weer iets anders mee: rare zinnen in het Nederlands om mee te oefenen.

spreekwoorden oefenen met Nederlands

Dit schilderij van Pieter Bruegel de Oude bevat 119 spreekwoorden!

  • Aan de slag = aan het werk beginnen.
  • Aan mijn lijf geen polonaise = van mij afblijven.
  • Balen als een stier = iets heel erg vervelend vinden.
  • Boe noch ba zeggen = niets zeggen.
  • Met het verstand van een garnaal = Een beetje dom.
  • Je hart uitstorten = alles aan iemand vertellen.
  • Op de hoogte stellen = informeren.
  • Op de koop toe nemen = iets erbij accepteren.
  • Lucht krijgen van iets = ergens achter komen, iets op het spoor komen, iets ontdekken.
  • Zich uit de naad lopen = heel hard ergens voor werken.
  • In het oog lopen = opvallen.
  • Met een half oor = half luisterend.
  • Iemand een oor aannaaien = iemand iets wijsmaken, iets vertellen wat niet waar is.
  • Oost – Indisch doof = iets niet willen horen, doen alsof je het niet hoort. (Dit is misschien wel een onaardig spreekwoord, wat gaat uitsterven.)
  • In de pan hakken = helemaal verslaan.
  • Ergens geen peil op kunnen trekken = iets niet begrijpen of er niet op kunnen rekenen.
  • Hij is de kwaaie pier = hij is de schuldige.
  • Het is altijd rouwen en trouwen = goede en slechte tijden wisselen elkaar af.
  • Iets achter de rug hebben = iets is voorbij.
  • Iets achter de rug om doen = iets stiekem doen ten nadele van iemand.
  • De schellen vallen hem van de ogen = plotseling begrijpen hoe iets is.
  • Schitteren door afwezigheid = ergens niet komen, terwijl je wel verwacht werd.
  • Er zit een schroefje bij hem los = hij is niet helemaal goed wijs
  • Spreken is zilver, zwijgen is goud = je kunt beter zwijgen dan spreken.
  • Zet er een streep onder = Stop ermee, laat het ophouden
  • Tijd heelt alle wonden = na enige tijd voelt het minder erg, het verdriet of het nare gevoel vermindert.
  • Te vies om met een tang aan te pakken = heel erg vies.
  • Wat de boer niet kent, dat vreet hij niet = Iemand lust geen nieuwe dingen, eet alleen wat hij al kent en lekker vindt.
  • Weer of geen weer = wat voor weer het ook is, het gaat door.
  • IJzer met handen breken = iets heel moeilijks voor elkaar krijgen.
  • Geen zee te hoog = niets is onmogelijk.
  • Een oogje in het zeil houden = opletten.

O nee, dit zijn echt niet alle spreekwoorden! Ik ben benieuwd, zijn er spreekwoorden, die in een andere taal hetzelfde betekenen of op Nederlandse spreekwoorden lijken? Ik lees het graag.

Vriendelijke groetjes, Nanzz

 

Pin It on Pinterest

Share This